Op leven en dood: Waanzin – Column longarts Sander de Hosson

’Op verzoek van de chirurg aan het eind van je spreekuur”, zegt ze met een veelbetekenende blik. Mijn secretaresse staat in de deuropening. Ik ken deze blik en vooral dat tijdstip: aan het einde van het spreekuur. Het zijn ‘spoedplekjes’. Ofwel plaatsen voor afspraken die kunnen uitlopen in de lunchpauze. Ik kijk naar de foto. Ik zie een kleine tumor in de linkerbovenkwab, verder weinig afwijkingen.

Sander de Hosson
Longarts Sander de Hosson. Foto: Marcel Jurian de Jong

,,Prima”, zeg ik. Eenmaal binnen wijst hij mij de plek in zijn lies aan waar hij nog geen week eerder pijnloze zwellingen had gevoeld. De chirurg heeft erin gebiopteerd en tot diens verbazing blijkt dat het om een uitzaaiing van longkanker gaat. Ik verbaas me niet. Na ruim een decennium longkankerbehandeling ben ik nergens meer verbaasd over. Ik heb uitzaaiingen van longkanker in vrijwel elk orgaan gezien. Longkanker heeft niets met fatsoen te maken. Beschaafdheid en deze ziekte gaan niet samen.

Tijd

Samen met de patiënt besluit ik aanvullende onderzoeken in te zetten, om te kijken of we een van de nieuwste middelen kunnen proberen. Het betekent dat we twee weken moeten wachten. ,,Maar die tijd hebben we wel.’’ Dat blijkt niet te kloppen, besef ik als hij tot mijn verbazing in een rolstoel in mijn wachtkamer zit. Ik frons mijn wenkbrauwen en roep hem binnen. Zijn vrouw duwt hem voort en verontschuldigt zich: ,,Hij is wat gaan hyperventileren.” En alsof iemand in een dergelijke situatie de rust zou kunnen bewaren, voegt ze toe: ,,Hij is erg bang geworden van alle gebeurtenissen van de laatste weken. Het vreet aan hem, weet je.”

Geen hyperventilatie

Zodra we zitten valt inderdaad de versnelde ademhaling op. Maar op geen enkele manier oogt dit als hyperventilatie. Ik zie een flink benauwde patiënt die naar lucht hapt. Ik pak mijn stethoscoop en vraag hem zijn trui omhoog te doen. ,,Morgen ga ik naar een psychiater, die kan hier vast wat aan doen”, fluistert hij terwijl hij de verontruste blik in mijn ogen ziet. Als ik naar zijn longen luister hoor ik aan beiden kanten forse afwijkingen. ,,Dit is geen hyperventilatie, helemaal niet zelfs”, zeg ik terwijl ik een briefje voor een foto schrijf. Die bevestigt mijn bange vermoeden. Het beeld is in twee weken volkomen veranderd. Was de tumor kort geleden nog klein, nu neemt hij de complete linkerbovenkant van de foto in.

Slecht teken

Waar eerder het middenrif aan beide kanten nog goed was te zien, prijkt nu een grote hoeveelheid vocht. Het hart is sterk verwijd, een duister teken van vocht in het hartzakje. Tot overmaat van ramp zie ik dat overal in het resterend longweefsel grove en fijnere witte strepen zijn ontstaan. Lymfangitis carcinomatosa, huivert het door mijn hoofd. Uitzaaiingen in alle lymfebaantjes, een slecht teken.

Waanzin

Niet alleen ik, maar ook hij, zijn echtgenote en dochter kijken onthutst naar de foto. ,,Dit is waanzin”, ontschiet me en ik schrik dat ik het hardop gezegd heb. Mijn woorden vervagen in de ontzetting om me heen, zodat het niet eens meer opvalt dat het minutenlang heel stil blijft. Slechts een knik als ik vervolg: ,,We nemen u op.”

De zuurstof – liefst 6 liter per minuut – helpt, maar de benauwdheid vermindert vooral door het weghalen van het vocht dat achter zijn long en in het hartzakje zit. Zijn conditie is door de snelle groei van de ziekte de laatste twee weken erg achteruitgegaan. We hebben afgesproken het nu over verdere behandeling te hebben.

Eerlijk

We moeten vooral eerlijk zijn. Want wat valt er te behandelen als een ziekte zich als een waanzinnige gedraagt? Als de toch al zo oneerlijke spelregels op zo’n brute wijze worden gewijzigd. Als de tentakels van kanker in nog geen twee weken op deze wijze vat krijgen op alles dat belangrijk is. Zijn dochter weet dat ook. Ze is een twintiger en zit pontificaal op het voeteneind van zijn bed, tussen zijn benen in, met haar elleboog rustend op zijn knie. Nog voor ik zit, begint ze te praten. Het gaat door merg en been. Over haar vader die nog geen maand geleden volop op de fiets zat. Over zijn ijzeren conditie. Over de vrije val naar beneden. De benauwdheid. De verschrikkelijke nachten.

Dood

Het gebrek aan handvatten om grip te krijgen op deze situatie. De oneerlijkheid. De vernedering. Haar betoog eindigt met de enige vraag die ze zal stellen. Het is nauwelijks een vraag. ,,Hij gaat dood, hè? Hij gaat snel dood, heel snel, toch?” Mijn lijf zijgt ineen. Haar blik. Een trilling door mijn lichaam. Haar blik houdt me gevangen. Moedeloosheid. Wat kan ik zeggen? Ik voel de krachteloosheid. Hier passen geen woorden over standaardbehandelingen, geen hoopvolle beloften over nieuwste behandelmogelijkheden.

Naar huis

Bij zijn zeer matige conditie is elke op tumorgerichte behandeling een rampkoers die het leed alleen maar groter zal maken. Er is gewoonweg geen antwoord op krankzinnigheid. Ik zie hun angst en voel de waanzin die dit gezin doormaakt. Ik kan niets anders uitbrengen dan een bevestiging. ,,Ja … ja.” ,,Dan wil ik naar huis”, zegt hij bijna emotieloos. ,,Dan wil ik naar huis om daar te sterven.” Zijn vrouw en dochter pakken hem vast. Heel stevig. Ze knikken. ,,Naar huis.”

We praten over de dood. Ik zie het als mijn expliciete taak om als zorgverlener in het ziekenhuis het traject daarheen zo goed mogelijk voor te bereiden. Om een radertje te zijn in de hoopvolle doorontwikkeling van palliatieve zorg in Nederland die alles in het werk zet om de waardigheid van het leven te bewaken tot in de laatste seconde van dat leven, zo goed en kwaad als dat gaat.

Geen onnodige medicatie. Barmhartigheid. Een schouder. Een morfinepompje tegen benauwdheid. Zuurstof. Terminale thuiszorgverpleegkundigen. Goede overdracht met de huisarts. Daar mag echt helemaal niets verkeerd gaan. Daar ligt hij. Op een brancard van de ambulance.

Bron: Pexels.com

Hand

Met respect wordt hij door de ambulanceverpleegkundigen omhooggetild. Nauwelijks mocht ik hem leren kennen. De antwoorden die ik zou kunnen hebben, bleken op te zijn voor de vragen überhaupt gesteld konden worden.

In het woordloze afscheid dat volgt, schuilt iets moois. Het is de menselijkheid binnen al die waanzin die ik nu zo krachtig voel. Zijn uitgestoken hand raakt zijn trots. Ik pak hem vast en slik. Een huivering over mijn rug. Zijn hand. Haar hand in de buurt. We knijpen zacht. Het is een kort saluut van nabijheid, dat ik nadrukkelijk beleef. Er volgt ‘dag’. Hij zegt het zacht. Dan rijden ze weg. Naar huis.

Sander de Hosson is longarts in het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen, met als specialisaties longkanker en palliatieve zorg. In de rubriek Op leven en dood beschrijft hij elke maand zijn ervaringen in persoonlijke verhalen. Zijn vorige columns vind je hier